Hans Hekkert: ‘Er wordt hier in Epe veel georganiseerd’

530

Hans Hekkert woont sinds 25 jaar in Epe. Hij heeft er een eigen hoveniersbedrijf en is actief als vrijwilliger in het bestuur van Epe on Ice en bij het vrouwenvoetbal van SV Epe. “De dagen zijn goed gevuld met m’n werk als hovenier, maar het vrijwilligerswerk is ook leuk. Bij Epe on Ice bijvoorbeeld zie je niet alleen dat veel kinderen plezier hebben, maar is het ook leuk om met een groep mensen naar een evenement toe te werken.”

Wat is de mooiste plek in onze gemeente?
“Zonder twijfel De Dellen. Ik ga regelmatig met m’n mountainbike die kant op. Vooral de combinatie van hei, bos en de prachtige lanen met oude bomen maken het een mooi gebied om te mountainbiken en te wandelen. Het is mooi, alle tijden van het jaar.”

Wat is je grootste ergernis?
“Mensen die roepen dat er ‘nooit wat te doen is’. En als er dan wat georganiseerd wordt, dan zie je ze niet. Neem de koopzondagen. Die worden mooi aangekleed door de ondernemers, maar ik vind de publieke belangstelling matig. Daar komt bij dat het niet klopt dat er nooit wat te doen is. Er wordt hier in Epe veel georganiseerd.”

Wie zou je in het zonnetje willen zetten?
“Ik vind het lastig om iemand te noemen, maar ik heb veel waardering voor het nieuwe initiatief ‘Episch Centrum’. Heb je als vereniging een vraag of een probleem dan zijn ze altijd bereid om mee te denken en te zoeken naar een oplossing.”

Wat mis je in Epe?
“Een echt dorpshuis voor de hele gemeenschap, dus inclusief sporthal voor sporten en voor andere evenementen. In Klarenbeek staat bijvoorbeeld zo’n multifunctioneel gebouw. In Epe heb je natuurlijk het Kulturhus, maar dat is toch te klein en te veel voor een bepaalde groep. Ik heb niet het idee dat het een gebouw is voor alle Epenaren.”

Wat is je favoriete uitgaansgelegenheid?
“Brasserie ‘Bij Ons’. Gastvrij, mooie inrichting, vriendelijke bediening en lekker eten met veel variatie op de kaart. En als je ’s avonds om 22.00 uur even wilt naborrelen, dan doen ze daar ook niet moeilijk over.”

Tekst en foto: Gerrit Tenkink