Rotterdams jochie in oorlogstijd

744
Jan van Hennekeler: “En die verrekte sudoku’s kosten veel tijd.”

De Tweede Wereldoorlog ligt ver achter ons en verhalen van ooggetuigen worden steeds zeldzamer. Epenaar Jan van Hennekeler woonde als kind in Rotterdam en maakte het bombardement op 14 mei 1940 en de hongerwinter 1944/1945 mee in de Maasstad. “Ik wil niet afgeschilderd worden als een zielige oude man. Het was een heftige periode, maar ik heb er geen trauma’s aan overgehouden”, vertelt hij 80 jaar na dato.

Jan van Hennekeler werd geboren op 5 oktober 1934 aan de Boompjes 45 in Rotterdam. Hij woonde met zijn vader en moeder op een steenworp afstand van de Maas. “Vanuit het huis keek ik op de Maas, het Noordereiland, de Willemsbrug en de oude spoorbrug. Mijn vader werkte bij een handelsmaatschappij. Het bedrijf bevond zich op de begane grond en wij woonden boven het bedrijf. Via Kralingen verhuisden we naar Hillegersberg, grenzend aan Rotterdam, waar we woonden toen de oorlog uitbrak. Van die eerste vooroorlogse jaren kan ik me weinig herinneren, maar ik weet dat ons gezin enorm veel geluk heeft gehad. Bij het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 viel de eerste bom exact op Boompjes nr 45. Een van de volgende bommen viel op ons tweede adres, onze twee-onder-één kap woning in Kralingen. Beide woningen werden totaal weggevaagd”, zegt Jan, die als 6-jarige in Hillegersberg het bombardement op afstand meemaakte. “Toen de vliegtuigen overkwamen, kregen we een pan op ons hoofd en moesten we onder de trap gaan zitten. Op een gegeven moment, waarschijnlijk was het bombardement al achter de rug, keken we van achter het raam richting de stad. Ik zie de rode gloed van de brandende stad nu nog voor me. En wat me bij is gebleven, is de geur van koffie. De koffiefabriek van Van Nelle was namelijk ook getroffen door bommen. De wind stond kennelijk onze kant op.”

Jan, als kleuter voor zijn geboortehuis, dat bij het bombardement op Rotterdam in een ruïne veranderde.

Vluchtelingen
De dagen na het bombardement verliepen chaotisch. Als 6-jarige gingen de capitulatie en de vlucht van leden van het koningshuis langs hem heen, maar Jan kan zich nog goed de vele vluchtelingen herinneren, die na het bombardement in hun huis bivakkeerden. “In mijn beleving waren het er misschien wel 25. Het hele huis zat vol. Familie, bekenden, onbekenden. Alle kamers waren bezet. En net zoals ze kwamen, waren ze ineens ook weer verdwenen”, zegt de oud-Rotterdammer, die vervolgens een geldkistje laat zien. “Na het bombardement is mijn vader nog teruggegaan naar De Boompjes, om te kijken wat er nog over was van het huis en de plek waar zijn kantoor was gevestigd. Hij vond in de puinhopen een geldkistje terug, dat ooit door mijn opa is gemaakt. Ik heb het altijd bewaard. Het staat hier thuis als een soort relikwie in de vitrine.”

Bombardement Noordsingel
De Rotterdammers pakten zo goed en zo kwaad het ging na het bombardemente het leven weer op. Dat gold uiteraard ook voor de familie Van Hennekeler. “Je ondergaat als kind het leven zoals het komt.” Maar soms komt de oorlog dichtbij, zoals op 16 juli 1941 als Jan met zijn moeder in de tram over de Noordsingel rijdt en er vlak naast de tram een RAF Lancaster neerstort. “Het verhaal gaat dat de piloot zijn neerstortende vliegtuig zo manoeuvreerde dat het niet op de wijk stortte, maar op de singel. Ik zie nog de mensen op de daken van de omringende gebouwen. Geen idee wat die mensen daar deden. Wij werden direct vanuit de tram in veiligheid gebracht in het tegenoverliggende gebouw. Het vliegtuig kwam heel dicht bij de tram terecht, want de brandstof uit het vliegtuig zat op de hoed van mijn moeder.”

Angst
‘Angst’ is op die momenten volgens Jan niet het juiste woord. “Ik heb wel angst gekend, maar dat was een ander soort angst. Wij woonden in Hillegersberg, aan de rand van een park. Daar groeven de Duitsers loopgraven. We speelden daar vaak met andere kinderen. Op een dag zeiden een paar oudere jongens tegen mij dat ik ‘Schweinhund’ tegen een Duitse soldaat moest zeggen, maar dat ik dat toch niet durfde. Tja, en dan wil je je als 8- of 9-jarig jongetje tegenover die oudere jongens niet laten kennen. Als ik m’n ogen dichtdoe, dan hoor ik nog het geluid van de laarzen van die Duitse soldaat, die achter mij aankwam. Dat was voor mij als kind een echt moment van angst”, zegt Jan, die ook nog weet dat de V1-bommen voor angst zorgden. “Mijn vader zei altijd ‘Zo lang je ze hoort, is er niks aan de hand, dan vliegen ze richting Engeland. Maar als het geluid stopt, dan moet je de kelder in, want dan kan het zijn dat er eentje naar beneden komt’. Op die momenten waren we wel bang.”

Verbondenheid
Ook als kind proefde Jan de anti-Duitse sfeer, al lag die vaak niet zo duidelijk aan de oppervlakte. “Er hing een bepaalde sfeer. Natuurlijk had je de dagelijkse beslommeringen. Ik leerde fietsen op een damesfiets zonder banden en de laatste winter was de school gevorderd door de Duitsers en waren wij dus thuis. Als jongens met elkaar gingen we veel de straat op, bijvoorbeeld om brandhout te zoeken. Op een gegeven moment had ik een dikke boomstam gevonden, veel te dik voor de kachel. Mijn vader regelde dan wel weer ergens een zaag. En we gingen natuurlijk regelmatig naar de gaarkeuken om te kijken of er nog wat eten over was. Je ziet nog wel eens foto’s waarop kinderen de laatste resten uit de grote etenscontainers schrapen. Dat deden wij dus ook, tenminste, zo lang we niet werden weggejaagd. En ’s avonds werden de huizen verduisterd en was het gevaarlijk om over straat te gaan. Maar achter de huizen waren paadjes en hekjes, waardoor we als buren heel makkelijk bij elkaar konden binnenlopen. Mijn vader had een radio in de kelder staan. Daar luisterden we naar Radio Oranje. Als kinderen mochten we af en toe meeluisteren. Mijn vader had een grote landkaart opgehangen en daarop tekende hij de vorderingen van de geallieerden. Als kind zag je dat de rode lijn steeds dichterbij kwam. Schijnbaar voelde hij zich veilig genoeg om zo’n kaart in de kamer te hangen. Luisteren naar de radio was natuurlijk streng verboden. Als kind wist je dat je daar niet over mocht praten.”

Hongerwinter
In de Hongerwinter werd de situatie nijpender. “Mijn vader bleef de hele oorlogsperiode zijn werk houden en dat was een geluk. Hij hield zijn inkomen en met een beetje geld viel er altijd wel wat te regelen, al aten wij ook suikerbieten en maakte mijn moeder er stroop van. Veel etenswaren waren ‘op de bon’ en je moest soms heel lang in de rij staan om aan de beurt te komen. Menigmaal moest ik van mijn moeder die boodschap doen. Ik herinner me dat ik dan wel eens flauwviel, waarschijnlijk door gebrek aan goede voeding. Als men mij dan thuisbracht, was het eerste wat mijn moeder vroeg of ik de bonnetjes toch nog wel had. Logisch want ze waren zeer schaars.” Eén beeld gedurende die laatste oorlogswinter is fotografisch in zijn geheugen opgeslagen: de aanblik van mensen die uitgeput langs de kant van de weg lagen. “Ik kan me de dikke opgezette buiken van die mensen nog herinneren. En vooral de uitleg van mijn moeder dat deze mensen daar lagen vanwege de honger maakte diepe indruk.”

‘Er was grote onderlinge verbondenheid, maar tegelijkertijd wist je nooit precies wie te vertrouwen was en wie niet’

Arbeitseinsatz
Ook kan Jan zich de Arbeitseinsatz nog herinneren, de mannen die werden weggevoerd om te gaan werken in Duitsland “Rijen mannen die werden afgevoerd. Mijn buurvouw stond te roepen ’Kars, Kars! Ik kan je niet missen!’ Later bleek dat Kars zich op zolder had verstopt. Waarschijnlijk maakte ze zoveel kabaal om anderen op een dwaalspoor te zetten, zodat er geen lastige vragen over haar man zouden worden gesteld. Er was grote onderlinge verbondenheid, maar tegelijkertijd wist je nooit precies wie te vertrouwen was en wie niet.”

Afrikaantjes
Jan beschrijft die oorlogsjaren als een tijd van onzekerheid. “Het is lastig te omschrijven. Zoals ik al eerder zei, ik kan me op enkele momenten na niet herinneren dat ik echt bang was. Als kind beleef je dat niet zo. Je ouders zijn bij je, dus wat kan er gebeuren? Het is beter te omschrijven als ‘eng’. Er hing een bedrukte, vreemde sfeer. Zo had mijn moeder op een dag bloeiende oranje afrikaantjes voor het raam staan. Er werd met geweerkolven op het raam gebonsd, dat die afrikaantjes weg moesten. De oranje bloempjes werden gezien als een daad van verzet.”

Bevrijding
Toen in het voorjaar van 1945 Engelse vliegtuigen voedseldroppingen boven Alexanderpolder uitvoerden, was Jan daar bij. “Opeens kregen we chocola. De vliegtuigen kwamen zo laag over dat we konden zwaaien naar de piloten. En ze zwaaiden terug. We konden ze in hun cockpit zien zitten. En later kwam er via het Rode Kruis wit brood. Dat hadden we nog nooit gezien: hagelwit brood. En bananen. Geen idee hoe je die dingen open moest maken”, zegt Jan, die ook de Canadese jeeps nog voor zich ziet. “We mochten meerijden in zo’n open jeep. Ik was zo trots als een pauw. Maar ik was natuurlijk niet de enige jongen die meereed. We zaten met verschillende jongens op de stoel naast de chauffeur voorin. Op een gegeven moment werd ik vanzelf over het randje geduwd. De eerste de beste bocht kieperde ik uit de jeep en lag ik op straat”, zegt Jan, die zich ook de bevrijdingsfeesten nog goed kan herinneren. “Wij hadden een piano in de kamer. Die werd op een gegeven moment de straat opgesleept en de buurman tegenover had een viool. Ik zie nog al die dansende en feestende mensen op straat.”

Aardige vent
De jaren na de oorlog wordt het leven weer opgepakt en herstelt de stad zich langzamerhand van de gevolgen van de oorlog. “Om bij te komen en aan te sterken, gingen veel jongens naar het platteland. Ik kwam terecht bij een boer in Lichtenvoorde en heb daar het dorpse leven leren kennen. Misschien dat daar het zaadje is geplant dat ik hier nu in Epe zo van het dorpse leven geniet?”

Intussen verliep de opbouw geleidelijk. “De overkapte lijnbaan, waar je langs de winkels kon lopen zonder nat te regenen en de noodwinkels op de Coolsingel; we vonden het allemaal heel bijzonder.” Na zijn schooltijd ging Jan aan het werk als vertegenwoordiger. “Natuurlijk denk je af en toe nog terug aan die jaren, maar ik heb er geen nachtmerries of trauma’s aan overgehouden. Soms wel vreemde ontmoetingen. Een aantal jaren na de oorlog kwam ik via mijn werk aan de praat met een Duitse vertegenwoordiger. Al pratende vertelde hij dat hij als piloot betrokken was bij het bombardement op Rotterdam. Tot mijn eigen verbazing kon ik niet kwaad op hem worden. Het was gewoon een heel aardige vent.”

In tijden van corona
Als tachtiger valt Jan in de risicogroep al voelt hij dat zelf absoluut niet zo. Uiteraard blijft hij zoveel mogelijk binnenshuis of tenminste in zijn eigen tuin. Is er een vergelijking is tussen deze coronatijd en de oorlogsjaren? “In zekere zin wel. Bijvoorbeeld het opgesloten gevoel. Het verschil was wel dat je stiekeme paadjes naar de buren maakte. Ik ervaarde als kind die tijd wel als gezellig, hoe tegenstrijdig dit ook is. Het onderling regelen bijvoorbeeld zorgde voor verbondenheid. Mijn vader kon aan pure alcohol komen en een ander had vruchtensap om te mixen. Om maar een voorbeeld te noemen.”
En wat het dagelijkse kopje koffie bij De Posthoorn betreft? “Ja, toch wat ontwenningsverschijnselen. Kan dat met koffie ? Je wilt het niet geloven, maar ik kom hier thuis nog iedere dag tijd tekort. De ochtenden zijn voor de kranten, Trouw, De Volkskrant en De Stentor digitaal. En die verrekte sudoku’s kosten veel tijd.”

Tekst en portretfoto: Gerrit Tenkink
Zwart-wit foto: privéarchief Jan van Hennekeler